Afbeelding van Cyril via Pixabay

ZiZo kaart aanhoudend hondengeblaf aan in Zottegem: “Aandacht voor nachtrust én dierenwelzijn”

Burgerbeweging ZiZo brengt geluidshinder door blaffende honden ter sprake op de volgende gemeenteraad in Zottegem. De beweging wil weten hoe meldingen worden opgevolgd en pleit voor meer informatie voor hondeneigenaars en buurtbewoners. Daarbij vraagt ZiZo aandacht voor zowel de nachtrust van omwonenden als het welzijn van de dieren.

Langdurig blaffen of janken kan voor spanningen in een buurt zorgen. Volgens ZiZo verdient ook de mogelijke oorzaak aandacht: aanhoudend geblaf kan erop wijzen dat een hond stress ervaart of moeilijk alleen kan zijn.

“We houden van honden, en net daarom vinden we het belangrijk om zowel aandacht te hebben voor het welzijn van het dier als voor de rust van de buurt”, klinkt het bij de burgerbeweging. “Niemand zit te wachten op burenruzies. Toch weten mensen soms niet goed hoe ze aanhoudende geluidshinder bespreekbaar kunnen maken of waar ze terechtkunnen.”

Vragen over meldingen en opvolging

ZiZo wil weten hoeveel meldingen over geluidshinder door honden het afgelopen jaar bij de stad zijn binnengekomen en of de politie afzonderlijke cijfers bijhoudt over nachtlawaai door dieren. Daarnaast vraagt de beweging hoe zulke meldingen in de praktijk worden aangepakt. Wordt er bijvoorbeeld ingezet op overleg, bemiddeling of een waarschuwing?

De burgerbeweging pleit ook voor een laagdrempelige sensibiliseringscampagne via het stadsmagazine en de stedelijke communicatiekanalen. Hondeneigenaars zouden zo praktische informatie kunnen krijgen over verlatingsangst en langdurig blaffen. Tegelijk moet voor buurtbewoners duidelijk worden welke stappen ze kunnen zetten wanneer de hinder aanhoudt.

“Vaak begint een oplossing met begrip, informatie en een goed gesprek”, aldus ZiZo. “Door eigenaars te ondersteunen en inwoners duidelijk te informeren over de mogelijkheden, kunnen we hopelijk heel wat problemen voorkomen. Zo werken we aan een aangename buurt, met respect voor mens én dier.”