Schepen Ruben De Gusseme brengt op herdenking Slag om Gijzenzele beklijvend verhaal van zijn grootmoeder

‘Het kermend geluid van huilende soldaten zindert nog na bij de bijna 98 jarige Annaïs Heyndrickx’

Tijdens de herdenking van de Slag om Gijzenzele bracht schepen van Erfgoed Ruben De Gusseme de beklijvende en aangrijpende getuigenis van zijn bijna 98 – jarige grootmoeder Annaïs Heyndrickx. Pakkend. De toen 12 – jarige Annaïs zag met eigen ogen wat gruwelijke taferelen zich ook afspeelden in mei 1940 in haar woonplaats Scheldewindeke. De Duitse soldaten richtten een bloedbad aan, Annaïs denkt nog eens terug naar dat gruwelijk verleden toen de hel losbarstte. Ze kan nog alles in detail vertellen, alsof het gisteren was gebeurd. Een ongeziene explosie van geweld. We weten alleen dat oorlog de optelsom is van bloed, zweet en tranen. We mogen dit nooit vergeten, maar het wordt steeds moeilijker omdat er nog maar weinigen zijn die het hebben meegemaakt en nog kunnen getuigen zoals Anaïs. En intussen, al die jaren later, stopt het oorlogsgeweld niet. De speech van schepen Ruben De Gusseme maakte veel indruk.

‘Ah ça fait mal…; ça fait mal’. Wat je hoort zijn de pijnlijke kreten van een gewonde soldaat, liggend op een brancard, in de kouters op de Ginstberg (Scheldewindeke). Het kermend geluid van huilende soldaten zindert nog steeds door het hoofd van Annaïs Heyndrickx. Nonkel André, haar broer, die de leiding nam over het gewondentransport te voet. Het bloed dat, al druipend door de stof van de brancards, op de grond viel wanneer de gewonden werden opgetild. De tocht naar de kliniek De Pelgrim, waar de eerste gewonden op verzorging van de zusters konden rekenen. Het zijn beelden die op haar netvlies gebrand staan. Wonend op de frontlijn, tussen voorpost en bunkerlinie, zag zij als 12 – jarig meisje de gruwel van de oorlog. In haar tuin en de omliggende velden zag ze de gewonden verzamelen. Boven haar hoofd zoefden de granaten richting vijand. Nonkel André is niet meer, en mémé’ke wordt binnenkort 98 j. Ze is waarschijnlijk één van de allerlaatste levende ooggetuigen van de Slag om de Scheldestelling.

Zonder de overlevering van deze verhalen, zonder herdenkingsmomenten als vandaag, dreigt de herinnering aan deze gebeurtenis verloren te gaan. Daarom moeten we de gedachte aan hen die hun leven gaven voor onze vrijheid blijven bewaken. Op 10 mei 1940 blokletterde de krant ‘De teerling is geworpen. God bescherme ons vaderland! Duitsland heeft België, Nederland en Luxemburg aangevallen’. Amper acht dagen later betrokken onze soldaten de 228 bunkers van het Bruggenhoofd Gent. Uitgeput en uitgedund van de terugtocht, onvoldoende bewapend en onderbemand, maakten zij zich klaar voor een ongelijke strijd. De Duitse oorlogsmachine met de 2 de Wereldoorlog in haar zog, had de grenzen van ons vredige Oosterzele bereikt. Op 20 mei, de eerste dag van de Slag om de Scheldestelling, de Duitse troepen de Franse kanaalkust al bereikt hadden. De Belgische, Franse en Britse legers zaten als ratten in de val. Goed wetende hoe uitzichtloos de situatie was, groeven onze troepen zich in en boden hier drie dagen lang hevig verzet. Ze kochten met hun standvastigheid kostbare tijd voor de evacuatie van meer dan 330.000 Britten en Fransen uit Duinkerken. Het Bruggenhoofd Gent werd niet overrompeld, niet doorbroken, niet overwonnen. De stelling werd pas verlaten op bevel van hogerhand. Oosterzele, Scheldewindeke en Gijzenzele leden zwaar onder het oorlogsgeweld. Tot op vandaag zijn de sporen van dit oorlogsgeweld nog altijd zichtbaar.

Het zwaartepunt van de aanval lag in Gijzenzele en Kwatrecht. In Gijzenzele vocht de Zesde Linie. Zij kregen de opdracht om het weerstandsnest Betsberg en de sector Gijzenzele te verdedigen. Dat zouden ze ook doen, zo nodig tot de laatste man. Vergis u niet, voor u staan het vaandel en de oud – gedienden van een doorwinterde gevechtseenheid. De Zesde Linie verdedigde onze landsgrenzen tegen de Nederlanders bij de vorming van België. Vanuit dit regiment vertrokken officieren, onderofficieren en soldaten naar Mexico. Dit Belgische vrijwilligerskorps leverde onder meer de heroïsche slag om Tacambaro. Voor hun uitzonderlijke heldenmoed en ‘grootste krachtdadigheid’ in WO I kregen ze de vermeldingen IJzer, Oost- Roozebeke, Ramscapelle en Antwerpen op hun vaandel. In Gijzenzele viel hen eeuwige roem en glorie te beurt. Hier op Oosterzeelse bodem bevestigden zij hun heldenstatus. Doorheen de geschiedenis vochten ze steeds tegen een overmacht. Wanneer alle hoop verloren was, werd de Zesde Linie uitgestuurd. Keer op keer wisten zij het slagveld eervol te verlaten. In 1994 werd het regiment, dan bataljon, ontbonden. In Gijzenzele leeft hun legende verder. Met de glimlach trokken zij ten strijde. Vol bewondering en met diepe dankbaarheid zullen wij hen blijven herdenken’, besloot schepen Ruben De Gusseme zijn sterke en heel aandachtig beluisterde speech. (marcel van de vijver, foto’s danny de lobelle)