De kettingzaag in ons geheugen: hoe de N-VA haar eigen ziel verpatst aan Caroline Gennez

Dat politieke keuzes pijn doen, is geen nieuws. Respect zelfs voor de moed die wordt opgebracht.

Dat men de kettingzaag hanteert om een begroting ijverig sluitend te krijgen, evenmin. Maar het besparingsbeleid van de Vlaamse regering-Diependaele treft het Vlaamse erfgoed op een manier die niet simpelweg cynisch is, maar ronduit paradoxaal.

 

Cultuurminister Caroline Gennez (Vooruit) verdedigt de dramatische gure wind in de erfgoedsector door te stellen dat ze “scheppende kunstenaars, grote podia en publiekstrekkers” wilde ontzien. Vrij vertaald: wat luid roept, op een podium staat of vlot scoort op Instagram, krijgt gratie. Wat zwijgend in de bodem rust, verstoft in een archief of geruisloos lokaal gemeenschapsgevoel bouwt, krijgt de Grote Genadeklap. Stenen betogen immers niet, en een digitaal gedocumenteerd archief levert zelden vrolijke TikTok-content op.

 

In de regio’s valt de klap genadeloos hard. Neem nu de Vlaamse Ardennen en Oost-Vlaanderen, waar het lokale historische geheugen rechtstreeks in de kiem wordt gesmoord. Een schrapping van liefst 3,9 miljoen euro aan Vlaamse steun zet de bijl in iconische ankerpunten zoals het Provinciaal Archeologisch centrum Velzeke (Zottegem), de Provinciale Erfgoedsite Ename (Oudenaarde) en het MOLA (Molenexpertisecentrum in Munkzwalm). Niet alleen komen plannen voor nieuwe Gallo-Romeinse gebouwreplica’s in Velzeke en het archeopark in Ename op losse schroeven te staan; de exploitatie zelf wordt onmogelijk gemaakt. Liefst 45 personeelsleden vrezen voor hun job, terwijl jaarlijks meer dan 50.000 bezoekers, scholen en gezinnen met lege handen dreigen achter te blijven. Eeuwen aan bodemschatten, educatieve werking en regionaal erfgoedbeleid worden in één pennenstreek kaltgestellt.

 

Het vergt echter pas écht een politiek spiegelpaleis om te zien hoe de leidende partij, de N-VA, dit gelaten laat gebeuren.

 

Jarenlang werd het Vlaams-nationalisme gedragen door de gedachte dat identiteit geen slogan is, maar een wortelstelsel. Ex-minister-president Geert Bourgeois bouwde een erfgoedbeleid uit dat Vlaanderen niet verkrampt, maar wel met trots en zorg liet kijken naar de eigen geschiedenis. Vorig jaar nog mijmerde huidig minister-president Matthias Diependaele liefdevol over “die stenen, dat hout, dat glas” die onze identiteit vormen.

 

Vandaag blijkt die Vlaamse identiteit vooral te bestaan uit dor hout dat zonder pardon de verbrandingsoven in mag.

 

Dat een progressieve stem de Vlaams-nationalisten moet herinneren aan hun eigen ideologische erfenis, is de ultieme ironie. Met het slopen van de erfgoedsector gooit N-VA niet alleen Bourgeois’ erfenis bij het grofvuil, het verraadt de gedaanteverwisseling van de partij: van een cultuur-conservatieve beweging met oog voor historie naar een kille, rechtse besparingsmachine waar identiteit enkel nog dient als streng toelatingsbeleid aan de grens, en niet meer als historisch fundament in de bodem. Oost-Vlaams N-VA-gedeputeerde David Coppens noemt de overheidssnijdenis inmiddels sprakeloos een eenzijdige contractbreuk en beraadt zich op juridische stappen tegen zijn eigen coalitiegenoot.

 

Ondertussen wordt de burger een ‘noodzakelijke besparing’ aangepraat, terwijl dezelfde regering miljoenen euro’s aan extra schuldrente wegpompt door dubieuze vastgoed- en infrastructuuravonturen zoals de aankoop van gronden rond Zaventem. Het geld wás er dus wel. Het ligt alleen niet meer in de museumzalen van Velzeke of Ename, maar op de bank van gemiste kansen.

 

Wat overblijft is een schrale keuze: cultuur als een flitsend evenementen-abonnement. Als het niet schittert in de schijnwerpers, heeft het blijkbaar geen recht van bestaan. Dat we daarmee de fundering onder ons eigen verhaal wegzagen, lijkt in Brussel niemand nog te boeien.