Lezersbrief aan schepen Brecht Cassiman: “Een pijnlijke echo op het Politieke Gevangenenplein”

(NUUS staat open voor lezersbrieven. De publicatie van een lezersbrief betekent niet altijd dat de NUUS-redactie ook akkoord gaat met de inhoud ervan, red.)

Geachte schepen Cassiman,

Met gefronste wenkbrauwen en een groeiend onbehagen heb ik uw toespraak van 3 mei jongstleden aangehoord op de herdenkingsplechtigheid voor onze politieke gevangenen en gesneuvelde soldaten in Zottegem. Een plechtigheid die traditioneel in sobere ingetogenheid de offers herdenkt van Zottegemnaren die hun leven gaven voor België. Uw aanwezigheid daar, als vertegenwoordiger van een partij die openlijk separatistische idealen koestert, getuigde op zich al van een zekere – zij het misschien onbedoelde – ironie.

Uw openingszin, “Ik was 8 jaar toen…”, katapulteerde ons onmiddellijk naar de oorlogsjaren, naar de ervaringen van uw overgrootmoeder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens viel u meermaals terug op de terminologie van zwart, wit en grijs. Het waren, in de context van deze plechtigheid, inderdaad ijle woorden. Woorden die de complexiteit van een donkere periode in onze geschiedenis trachtten te reduceren tot een persoonlijk narratief, waarbij het leed van uw familielid centraal leek te staan.

U stelde dat u het aangedurfd hebt om op deze herdenking te spreken. Inderdaad, het vergt wellicht een zekere onverschrokkenheid om als vertegenwoordiger van de N-VA het woord te nemen op een plek die doordrenkt is van de herinnering aan hen die streden voor de eenheid van België. Het getuigt van lef, of misschien van een misplaatste overtuiging, om op deze vaderlandslievende bijeenkomst zelfs de initialen VNV uit te spreken. Die drie letters zijn onlosmakelijk verbonden met de Vlaamse collaboratie, met namen die in het collectieve geheugen gegrift staan als symbolen van verraad. Het is een gewaagde onderneming om dergelijke beladen termen te articuleren op een plek waar de Belgische driekleur wappert, een vlag die uw partij nochtans publiekelijk afwijst. Uw vermeende verwachting om hier een menigte met zwart-gele vlaggen aan te treffen, getuigt van een fundamenteel misverstand van de aard van deze herdenking.

Uw toespraak rekte zich uit in de tijd, en het is opmerkelijk dat u erin slaagde om geen enkel woord te wijden aan de Zottegemse medeburgers die hun leven offerden voor de vrijheid en democratie van hun stad en hun land. In plaats daarvan focuste u op het vermeende lijden van uw achtjarige overgrootmoeder. U schetste een beeld van haar als een onschuldig slachtoffer, een soort Vlaams melkmeisje dat de Duitse bezetter trachtte te misleiden met “papiertjes” in haar melkkannen. Het is een pittoresk beeld, maar het strookt moeilijk met de harde realiteit van de oorlog en de collaboratie.

Wie in die periode willens en wetens voor de Duitse bezetter werkte, werd niet als grijs beschouwd. De oorlog kende een scherpe scheiding: of men koos de kant van de agressor, of men stond pal achter de eigen medeburgers en het vaderland. Zo zwart-wit was de realiteit voor velen.

Het lijkt erop dat u er alles aan doet om een pijnlijke en donkere bladzijde uit onze nationale geschiedenis te herschrijven, om verraders in een milder licht te plaatsen. Wij, de nazaten van diegenen die niet kozen voor collaboratie, die familieleden verloren omdat zij zich verzetten tegen de bezetter, kennen de ware, ongezouten verhalen. Wij zullen nooit de klaagzang en de excuses van collaborateurs aanvaarden, laat staan amnestie verlenen. Ook voor de families die hun geliefden verloren, bestaat er geen grijs. Er is enkel het zwart van het verlies en het wit van de onschuldige offers.

Hoogachtend,

Walter Vandeperre