50 jaar geleden: Zottegemse studenten in de tabakpluk in Canada

Vanaf 1966 tot in de jaren 80 van de vorige eeuw zakten alles bij elkaar zo’n 5000 Vlaamse studenten af naar Zuid-Ontario in Canada om tijdens de grote vakantie bij landbouwers van Vlaamse afkomst te werken in de tabaksoogst. Na gemiddeld acht weken veeleisende arbeid,   gevolgd door een boeiende reis doorheen de Verenigde Staten, kwamen de meeste met een mooie som (toen nog harde) Canadese dollars terug naar Vlaanderen. In 1971 en 1972 namen zo’n vijftien Zottegemse studenten deel aan die oogst. Een terugblik.

De ‘gouden zandbak’ van   Zuid-Ontario en de flue-cured tobacco

Ontario,   één van de 10 provincies van het onmetelijke Canada, is even uitgestrekt als Duitsland en Frankrijk samen, maar de ruime meerderheid van de veertien miljoen Ontarians woont in het zuidwesten, op een groot schiereiland tussen het Huron-, Erie- en Ontariomeer; de steden Toronto, Kitchener, London en Hamilton zijn daar te situeren. De streek heeft een typisch landklimaat met strenge, koude winters en droge, subtropische zomers. In het uiterste zuiden van de provincie lag een barre zanderige strook, “good for nothing”, die pas vanaf 1920 in cultuur gebracht werd. Een paar duizend gezinnen van Vlaamse afkomst speelden in dit ontginningsverhaal, dat de hele streek na WO II tot grote welstand bracht, een hoofdrol. De sleutel tot de bloei: de flue-cured Virginia tobacco.

Reeds de First Nations (de oorspronkelijke indianen) in Zuid-Ontario teelden van oudsher tabak. Toen vanaf het begin van de 20ste eeuw de industrieel geproduceerde sigaret onstuitbaar haar opmars begon, werd de tabaksteelt in Zuid-Ontario onder impuls van de Canadese overheid flink gepromoot. Want na prospectie bleek dat de tabaksvariant “Virginia” (afkomstig   uit de gelijknamige staat in de VS) uitstekend kon gedijen in de zandgronden van Zuid-Ontario, vooral in zijn flue-cured vorm: de tabaksbladeren werden niet in de zon gedroogd zoals de burleytabak, maar in droogovens (kilns), waarin een verhitte luchtstroom (flue-cure) de groene bladeren in ongeveer één week tot goudgele, aromatische tabak droogde, erg gegeerd door bekende Amerikaanse merken als Camel, Marlboro, Philip Morris en Lucky Strike. De productie was zeer arbeidsintensief en vergde een grote investering, o.a. in machines en minimum acht droogovens, maar bracht ook   — bij een normale oogst — zeer aanzienlijke winsten op. Reeds in de jaren 20 – 30 vestigden zich immigranten als   tabakstelers in de streek, waaronder een groot aantal Vlamingen, maar het was direct na Wereldoorlog II dat de belangrijkste migratiegolf uit Vlaanderen, Nederland, Duitsland, Hongarije en Polen volgde. Rond 1965 vond men in de driehoek Port Stanley, La Salette en Port Dover   – een gebied anderhalve keer zo groot als Oost-Vlaanderen – ongeveer   4500 tabaksfarms, waarvan er zo’n 2000 door Vlamingen uitgebaat werden. Keihard werk, doorzettingsvermogen, uitmuntend professionalisme en het gemak waarmee men van de overheid landbouwgronden kon kopen en van de banken geld kon lenen brachten een ongekende welvaart in de streek. De flue-cured tabak van Zuid-Ontario werd beschouwd als de beste ter wereld en de streek werd één van de rijkste van het welvarende Canada — in een tijd dat de sigaret nog niet als een ziekmaker bekend was.

Belgi ë in de Wereld

In oktober 1965 organiseerde “Belgi ë in de Wereld”, een VZW die zich bezighield met het onderhouden van contacten met ge ëmigreerde Belgen (nu “Vlamingen in de Wereld”), een Rijntocht voor een paar honderd Vlaams-Canadese tabakstelers uit Zuid-Ontario die gezamenlijk op bezoek waren in hun land van herkomst. Uit gesprekken tijdens die excursie bleek dat die telers heel wat moeite hadden om tijdens de tabaksoogst, van eind juli tot de derde week van september, voldoende arbeidskrachten te vinden die de hele tijd op het bedrijf wilden blijven. Meestal werd de oogst gedaan met de hulp van Canadese seizoenarbeiders, maar vaak verdwenen die na een tijdje, bijvoorbeeld na een avond stappen, en de farmer was dan verplicht in volle oogst vervangers te zoeken. Dit zorgde telkens voor problemen want de tabak moest op het juiste tijdstip geplukt worden, anders was hij waardeloos. Het idee groeide om Vlaamse universiteitsstudenten, die in die tijd na een geslaagde eerste zittijd vakantie hadden van half juli tot de eerste maandag van oktober, te rekruteren om de tabakstelers te helpen. Zij konden tijdens de hele oogst op de farm verblijven, kregen er kost en onderdak en de goede verloning was ruim voldoende om de vliegtuigreis, de verzekeringen, een reis in het noordoosten van de VS te betalen én bovendien nog een flinke spaarcent over te houden. In de laatste week van juli 1966 vertrok vanuit Zaventem het eerste contingent in twee gecharterde Boeings 727 — 346 studenten in totaal. Vanaf 1971 werd een door SABENA pas aangekochte Boeing 747 gecharterd die ongeveer 450 studenten naar Toronto vloog — waaronder een vijftal uit Zottegem. Het jaar daarna deed men dat nog eens over, ditmaal met een tiental Zottegemnaars aan boord. Uitgerekend dat jaar werden de Vlaamse studenten als echte Vips uitgenodigd door de Canadese overheid en de Belgische Ambassade. Ze kregen een paar dagen logement op de hypermoderne campus van de Carleton University te Ottawa met inbegrip van de diensten van een in onze ogen erg luxueus studentenrestaurant, namen deel aan gegidste sightseeingtours in de Canadese hoofdstad, woonden een klassiek avondconcert bij in een magnifieke openluchtarena met een ondergaande zon als fee ëriek decor en werden culinair vertroeteld met een verzorgd avondbuffet.

Met een bussenkaravaan werden de studenten naar de Belgian Club in Delhi gevoerd, het hart van de tabaksstreek, waar ze door “hun” farmer werden opgehaald. De volgende twee   – drie dagen werden besteed aan de voorbereiding van de oogst: iedere student maakte kennis met zijn nieuwe thuis en zijn nieuwe familie waar hij acht à negen weken lang zou verblijven en hij ontmoette de mensen waarmee hij zou samenwerken, vaak seizoenarbeiders uit Quebec of Canadese of Europese studenten. Hem werd uitgelegd wat zijn taak was en hoe hij die moest verrichten; soms hielp hij die eerste dagen met het plaatsen van irrigatiebuizen. En dan kwam het grote moment — de eerste dag op het veld.

Een doorsnee werkdag

Op een werkdag werd het oogstteam om 5.30 u gewekt. Na de eerste oogstweek haalde men (op een nuchtere maag…) eerst een droogoven leeg en werd de gedroogde tabak naar de “barn” (een immense schuur)   gevoerd. Rond 7.00 u, na een stevig ontbijt, werd het team op de laadbak van de “truck” (een typisch Amerikaanse lichte vrachtwagen) naar het te plukken veld gebracht, soms een paar kilometer van het woonerf. Dat team bestond maximaal uit tien à elf   mensen: zes plukkers, een “driver” die met de tractor de bakken met de geplukte bladeren naar de droogoven bracht, twee à drie mensen aan de “tyingmachine”, een soort naaimachine die twee lagen bladeren, gescheiden door een lat, aan elkaar stikte en ten slotte de man in de droogoven (de kilnhanger), die via een jacobsladder de “sticks” (latten met bladeren) aangereikt kreeg om ze in de oven op te hangen. De laatste was meestal de langste van het team én iemand zonder hoogtevrees, want hij moest via een riskant balkensysteem de verste plaatsen in de kiln kunnen bereiken. De tractordriver was meestal de tengerste: hij had veruit de lichtste taak en daardoor verdiende hij soms minder of werd van hem verwacht dat hij bijkomende klusjes deed na de dagtaak van de anderen. Naast de kilnhanger hadden de “primers” of plukkers het meest aanzien omdat hun taak het lastigst was. Ze hoefden zich wel niet te bukken want ze zaten op de “primemachine”, een soort automatisch bestuurde tractor die zes sleden op de hoogte van de te plukken bladeren doorheen de tabaksrijen voerde, terwijl de plukkers telkens drie bladeren van de tabaksplant afbraken en ze met een stereotiepe beweging in de bak vóór hen deponeerden. Op het einde van iedere rij werden de volle bakken vervangen door lege. Zeker in september waren de planten ’s morgens sterk bedauwd, zodat de plukker — ondanks zijn speciale regenkledij — een paar uur lang volledig doorweekt was. Eens de zon hoger in het zenit stond, was het dan weer veel te warm.   Regen kwam weinig voor (tenzij nu en dan een kletterend onweer ’s nachts), maar als het al eens gebeurde zat je de hele dag in de nattigheid.

Een dagtaak duurde tot de kiln gevuld was en dat vergde zo’n acht à tien uur arbeid, afhankelijk van de omvang van de bladeren: hoe breder, hoe minder op een stick, hoe vlugger de kiln gevuld was. ’s Middags werd er doorgaans één uur pauze voorzien voor het middagmaal. Na een werkdag kon je douchen in een aantal washokjes in de ruime serre die iedere farm bezat om het plantgoed te kweken — zij die er het vlugst bij waren hadden nog de luxe van warm water, de traagsten moesten het letterlijk met een koude douche stellen…   Je was wel een kwartiertje bezig om de dikke laag teer die de tabaksbladeren achtergelaten hadden op handen, knie ën en armen weg te schrobben met een hard stuk zeep, gemengd met zand.   De laatste twee weken van de oogst waren de allerzwaarste omdat dan in zeer hoog tempo de lange, smalle bladeren van de top geplukt werden, die, vergeleken met de grond- en de middenbladeren, weinig waard waren. Hiervan gingen er tweemaal zoveel in een volle kiln. Werkdagen van twaalf of dertien uur waren in die laatste periode van de oogst vrij normaal. Virginiatabak is zeer vorstgevoelig: een halve graad onder nul en hij kleurt helemaal rood en wordt totaal waardeloos.   Bij ’frostalarm’   was het dan ook alle hens aan dek en werd er tot een stuk in de nacht door iedereen die handen had — kinderen, familie en kennissen —   bij het licht van trucks en tractoren geplukt tot alles binnen in de schuur opgestapeld was óf het ijs al op de bladeren zat — de verwerking was een zorg voor de volgende dagen. Wie na een helse werkdag ooit zo’n eindeloze avond en nacht meemaakte, zal het nooit meer vergeten. Dit gebeurde zeker niet ieder jaar, maar als het toch voorviel — zoals in 1972 —   betekende dat automatisch het einde van de oogst in de hele streek.

Ontspanning

Er waren geen voorafbepaalde vrije dagen. Zon- of weekdag, het werkritme werd opgelegd door de conditie van de te plukken bladeren: waren ze rijp, dan moest er geplukt, zo niet werd er gewacht en kreeg het team een dagje vrij. Dat waren de weinige dagen dat je eens kon uitslapen, een brief schrijven, wat lezen, een partijtje voetbal spelen of de farmer helpen de tientallen metalen irrigatiebuizen op een ander veld te leggen. Na een onweersbui ’s nachts had je zelfs kans in de zandgrond silex pijl- of lanspunten te vinden van oude indiaanse nederzettingen die vele eeuwen geleden in de buurt gevestigd waren. Het waren ook de dagen waarop we kennis maakten met ham- en cheeseburgers, die de farmer en zijn vrouw op het voor ons toen nog onbekende bbq-stel grilden. We luisterden tijdens onze vrije uren ook graag naar de lokale radio waarop ettelijke keren per dag de seizoenshit   “Tillsonburg” van   Stompin’ Tom Connors (de “Johnny Cash van Canada”…) te horen was. Iedere oud-plukker (her)kent zeker de eerste strofe:

A way down in Southern Ontario, I never had a nickle or a dime to show

A fella beeped up in an automobile, he said do you wanna work in a tobacco field of Tillsonburg , Tillsonburg, my back still aches when I hear that word

(Een eind weg in zuidelijk Ontario,/ ik kon nooit een cent of een stuiver voorleggen/

Een gast dook op in een auto/ hij vroeg of ik op een tabaksveld wou werken van/ Tillsonburg, Tillsonburg/ mijn rug doet nog zeer als ik het woord hoor)

Een paar keer voerde de farmer ons tijdens een vrije dag met de truck naar de streekcentra Delhi of Tillsonburg om daar in de wasserette onze kleren te wassen en om priv é-aankopen te doen. Vooral in Delhi werd je vaak bediend in een Vlaams dialect, als ze ons als Vlaamse studenten herkenden. Langs de weg naar die centra zag je de ene tabaksfarm na de andere met, naar Amerikaanse gewoonte, op het dak van de enorme schuur de namen van de bezitters zoals Demeyere, Pieters, Verkest, Van Maele, Decoopman, Luk Van Loocke… De laatste naam werd uitgesproken als “Loek ven Loek”. In Canada geboren kinderen van Vlaamse migrantenouders spraken Engels met elkaar en hun ouders, al begrepen velen nog enkele Vlaamse woorden. Waren ze in Belgi ë geboren en met hun ouders ge ëmigreerd na WO II, dan spraken ze vaak hun dialect met de Vlaamse studenten nog heel gemakkelijk — weliswaar flink doorspekt met Engelse termen. De voertaal van de farmers onderling was Engels, ook al omdat het grootste deel van de bevolking van die streek andere roots had dan Vlaamse.

Eens de oogst be ëindigd volgde de schitterende apotheose: een reis doorheen het noordoosten van de V.S. Om tijd te winnen (rond 7 oktober vertrok de chartervlucht uit New York) schreven de meeste studenten zich in voor de busreis, georganiseerd door “Belgi ë in de Wereld”. Was de oogst normaal verlopen dan was er ruim de tijd om de Niagara Falls, Montreal, Boston, Washington D.C. en New York te bezoeken; anders werd de beperking van de reistijd gecompenseerd door een bestemming minder en een paar nachtelijke busritten. Na elf weken stond de student weer in Zaventem, waar zijn familie hem opwachtte. “Good to be back home —   he had made it”   en daar was hij fier op.

Nawoord

Als je een generatie later doorheen de tabaksstreek van Zuid-Ontario rijdt, zie je dat op al die velden waar eens “het groene goud” groeide, nu meer gezonde gewassen als soja, zoete maïs, ginseng, asperges, komkommers of bonen geteeld worden. Sinds het einde van de jaren 80 is het tabaksareaal er met zo’n 80 % gekrompen en het vermindert nog ieder jaar. De oorzaken van deze verandering waren velerlei: de niet te miskennen link tussen tabak en ziekte, waardoor de overheid de productie van de kankerverwekker wilde afbouwen, stijgende productiekosten en concurrentie van Derde Wereldlanden met lagere tabaksprijzen. Veel tabakstelers maakten een probleemloze overstap naar een andere teelt, anderen — vooral zij die de malaise wilden opvangen door (te) zwaar te investeren —   gingen failliet of zagen zwarte sneeuw. Wie nu nog overblijft (overleeft?) heeft vaak een veel groter bedrijf met volautomatische plukmachines en computergestuurde droogovens: een oogst waarvoor men vroeger 11 mensen nodig had, doet men nu in minder dan de helft van de tijd met 2 à 3 gespecialiseerde technici, veelal Mexicanen of Jamaïcanen. De streek is nog altijd de grootste tabaksproducent van Canada, maar tabak is maar één van de diverse gewassen die er gekweekt worden. Onze studenten gaan er al lang niet meer plukken. Wat overblijft zijn mooie herinneringen en — voor enkelen —   een jaarlijkse brief of (later) mail of zelfs een bezoek van of aan de vroegere farmer of zijn kinderen.

Ignace De Temmerman

(plukker in 1971 en 1972)

Stompin’ Tom Connors: Tillsonburg: https://www.youtube.com/watch?v=v6EiYbRTv4M

Priming sandleaves by hand:   https://www.youtube.com/watch?v=tDrxeMjZkzY

X