In de financiële annalen van Herzele en Zottegem tekent zich een boeiend en complex verhaal af dat veel verder gaat dan oppervlakkige cijfers. Waar critici Herzele afschilderen als een gemeente met een onhoudbare schuldenberg, onthult een diepere analyse dat het financiële beleid van de twee gemeenten een weerspiegeling is van fundamenteel verschillende filosofieën over bestuur en belastingen. Het traditionele beeld van een contrast tussen een onverantwoordelijk Herzele en een financieel gedisciplineerd Zottegem is, bij nader inzien, een te simplistische voorstelling van zaken. De schuld per inwoner is met €1.834 in Herzele nagenoeg gelijk aan de €1.829 in Zottegem, wat aantoont dat de werkelijke verschillen elders liggen.
Het gemeentebestuur van Herzele verdedigt zijn positie door te wijzen op bewuste keuzes uit het verleden. Burgemeester Rogiers stelt dat de gemeente reeds aanzienlijke investeringen heeft gedaan in publieke infrastructuur, zoals een cultureel centrum, waarvan de inwoners nu de vruchten plukken. Deze projecten werden destijds gefinancierd door leningen, en dit is volgens hem een doordachte aanpak. Het werken met leningen is namelijk een manier om de lasten die met een investering gepaard gaan, te laten dragen door de mensen die er ook effectief gebruik van zullen maken in de toekomst. Het is volgens deze filosofie niet logisch om alle lasten hiervan te leggen op de mensen die hier nu wonen en misschien zelfs geen gebruik meer zullen maken van de investering.
Oppositielid Filip De Bodt (LEEF! Herzele) stelt deze verdediging echter in vraag. Volgens hem zijn oudere investeringen zoals de brandweerkazerne en de culturele centra grotendeels afbetaald en beïnvloeden die de huidige financiën nauwelijks. De echte oorzaak van de schuld ligt volgens De Bodt bij recentere projecten die ver boven de gemeentelijke mogelijkheden gingen.
Hij noemt specifiek de aanleg van een wielerpiste in Borsbeke, de vernieuwing van een voetbalplein in Herzele en de uitbouw van de pastorie van Ressegem, met de verbouwing van het Schepenhuis nog op komst. Bovendien verwijt hij de huidige meerderheidspartijen dat zij mee aan de basis lagen van die beslissingen, terwijl enkel LEEF! de nieuwe investeringen destijds tegensprak. Ook het besluit van een vorige coalitie om leningen drie jaar niet af te betalen, draagt volgens hem bij aan de huidige problemen.
Het échte verschil tussen Herzele en Zottegem schuilt dan ook in de inkomsten, en die zijn direct gekoppeld aan de belastingdruk op de inwoners. Een Zottegemnaar betaalt jaarlijks gemiddeld €158 meer aan belastingen dan een inwoner van Herzele, specifiek op de aanvullende personenbelasting en de opcentiemen voor de onroerende voorheffing. Dit hogere bedrag vloeit voort uit zowel de personenbelasting (7,5% in Zottegem tegenover 6,9% in Herzele) als de opcentiemen op de onroerende voorheffing (1.070 versus 1.008). Bovendien ontvangt Zottegem vanuit de Vlaamse overheid aanzienlijk meer subsidies. Per inwoner krijgt de stad €80,18 méér, deels te danken aan specifieke subsidies voor projecten zoals het ‘Mobiliteitsknooppunt’. De optelsom van deze verschillen is verbluffend: indien Herzele dezelfde inkomsten per inwoner zou ontvangen, zou de gemeente jaarlijks ruim 4,5 miljoen euro extra in haar kas hebben. Over een legislatuur van zes jaar zou dit bedrag de 27 miljoen euro overstijgen, wat de gehele schuldenberg bijna teniet zou doen. Over dit punt merkt Filip De Bodt kritisch op dat het ‘eigenaardig’ is om te stellen dat Zottegem meer ontvangt; de stad heeft nu eenmaal meer inwoners en een dergelijke rekensom had vooraf gemaakt moeten worden.
Dit brengt de discussie van een loutere vergelijking van schulden naar een diepere, politieke en ethische afweging.
Louis Van Rijsselberge van Vooruit Zottegem stelt dat de Zottegemse filosofie van een overschot, misleidend is:
“de enige reden voor het ‘overschot’ is dat men al jaren broodnodige en noodzakelijke investeringen doorschuift naar komende generaties.”
Hij beweert dat de stad in de laatste zes jaar nog geen 50% van de beloofde plannen heeft gerealiseerd en dus gigantisch onderinvesteert. Waar Herzele kiest voor lenen om nu te investeren, kiest Zottegem voor een spaarpot, maar laat ze de beloofde investeringen achterwege. Het werken met een spaarpot betekent immers dat de gemeente het geld van de inwoners nu al belegt in functie van een mogelijke, maar niet zekere, investering. De vraag wordt dan of de inwoners dat geld niet beter zelf kunnen beleggen.
De kritiek van Filip De Bodt op prestigeprojecten in Herzele, vult deze visie aan. Hij stelt dat politici snel denken dat zij het beter weten dan de bevolking en kiezen voor projecten die zij in hun eigen fantasie ontwikkelen, terwijl niemand erom heeft gevraagd.
Herzele bewijst dat je een lagere belastingdruk kunt combineren met investeringen, zij het met de financiële uitdagingen die dit met zich meebrengt. Zottegem toont aan dat financiële voorzichtigheid een overschot kan creëren, maar dat dit een direct gevolg is van de bijdrage van haar inwoners, aanvullende subsidies én het niet realiseren van beloofde projecten. De keuze tussen deze twee modellen bepaalt niet alleen de financiële situatie van een gemeente, maar ook de levenskwaliteit van haar bewoners en de nalatenschap voor toekomstige generaties.






