Nederlandse studente schreef iconografie van Sint-Adriaan, patroon van de Geraardsbergse benediktijnenabdij

 


Geraardsbergen. Aan de Radbouduniversiteit in Nijmegen behaalde Els Smeets uit Koewacht (Ndl.) op het einde van dit academiejaar haar diploma Kunstgeschiedenis met een scriptie over “Adrianusinsignes Een onderzoek naar de iconografische ontwikkeling in de afbeeldingen van de patroonheilige van Geraardsbergen in de vijftiende eeuw”. Haar promotor was prof. dr. A.M. Koldeweij, een van de grote specialisten inzake middeleeuwse bedevaartstekens.

Het is genoegzaam bekend dat de uitstraling van Geraardsbergen in de late Middeleeuwen voor een groot deel te danken was aan de relieken van Sint-Adriaan die de gelijknamige benediktijnenabdij -en de stad- deden uitgroeien tot een internationaal bedevaartsoord. Zoals de Duitse specialist Köster schrijft werden de relieken van de heilige Adriaan hier vereerd door bedevaarders “aus Frankreich, aus Deutschland, der Schweiz, Italien, England und Dänemark”. De Adrianusrelieken werden er niet alleen vereerd door massa’s gewone stervelingen maar ook door hoge gasten als de hertogen van Anjou, Berry en Lancaster, door Filips de Goede en de latere Franse koning Lodewijk XI die meermaals op bedevaart ging naar de Oudenbergstad. De Adrianusverering nam hier zodanige proporties aan dat de plaatsnaam Geraardsbergen in de Middeleeuwen vaak werd vervangen door Adrianopolis (= de stad van Adrianus) of gewoon door Sint-Adriaan in Vlaanderen: “Geraardsbergen was dankzij de heilige Adrianus in de late Middeleeuwen een drukbezocht pelgrimsoord geworden. Uitgaand van het aantal in Zeeland teruggevonden pelgrimsinsignes neemt dit pelgrimsoord de vierde plaats in na Rome, Santiago de Compostella en Halle”. Dat de Adrianusverering veel volk aantrok moge blijken uit het feit dat de abdij zich in 1423 twee nieuwe reliekschrijnen van verguld zilver aanschafte wat beslist positieve invloed heeft gehad op “de verering van de relieken van de Heilige Adrianus”.

Zoals veel andere bedevaartsoorden stelde de St.-Adriaansabdij voor haar bezoekers ook religieuze souvenirs ter beschikking: uit Geraardsbergen nam de pelgrim een beeltenis mee van de Heilige Adrianus, een dun metalen pelgrimsinsigne dat ter plekke was vervaardigd. De vondst van een leistenen Adrianusgietmal in de tuinen van de Geraardsbergse stadsschouwburg (1994) door Etienne Borremans en Luk Beeckmans bevestigt die stelling. De meeste insignes die waren gegoten uit een tin-loodlegering werden niet alleen beschouwd als een souvenir maar ook als een aandenken met genezende kracht. Adellijke bezoekers verkozen echter insignes in zilver of verguld zilver waarvan er in totaal maar vier zijn bekend.

Kurt Köster
Het is merkwaardig dat de Adrianusinsignes van de Geraardsbergse benediktijnenabdij tot nu toe nagenoeg uitsluitend in het buitenland werden bestudeerd. In 1973 publiceerde de Duitse specialist Kurt Köster zijn baanbrekende studie over “Pilgerzeichen und Wallfahrtsplaketten von St. Adrian in Geraardsbergen”. Aan de hand van de toen zowat vijftien bekende Adrianusinsignes legde Köster de basis van het iconografisch onderzoek van de vooral in Geraardsbergen vereerde heilige. Uitgaand van de onderlinge verschillen komt hij tot vijf kategoriën in de periode van ca 1425 tot 1500.

Uit de Noord-Nederlandse studie “Heiligen uit de Modder” (1987) van drs. M. Van Heeringen, dr. A.M. Koldeweij en drs. A.A.G. Gaalman leren we dat er van de intussen 713 in Nederland gevonden bedevaartstekens niet minder dan 101 de afbeelding dragen van de heilige Adriaan. Ondanks dit indrukwekkend aantal nieuwe vestels voegt auteur Smeets slechts twee nieuwe varianten toe aan de vijf types zoals Köster die had onderscheiden.

In 1993 publiceren onze Noorderburen H.J.E. Van Beuningen en A.M. Koldeweij hun haast encylopedisch werk “Heilig en Profaan 1000 laat-middeleeeuwse insignes”. Toen waren er niet minder dan 199 Adrianusvestels bekend waarvan er 183 aan de oppervlakte waren gekomen in Zeeland. Uit het sterk toegenomen aantal Adrianusinsignes heeft Smeets in totaal slechts acht varianten van het Adrianusbedevaartsteken onderscheiden.

“Bij de nieuwe vondsten tussen 1988 en 1993 zijn veel insignes aan het licht gekomen die bij de reeds bekende varianten ingedeeld kunnen worden. Het is opmerkelijk dat alle in-signes vaak in kleine details van elkaar verschillen. Deze onderlinge verschillen geven aan dat er een groot aantal gietmallen moet hebben bestaan. Wanneer alle reeds opgegraven insignes uit een andere gietmal afkomstig zijn, betekent dit dat er minstens 200 mallen moeten hebben bestaan. Dit duidt op een zeer grote productie en handel in pelgrimstekens aangezien het aannemelijk is dat elke mal minstens een paar honderd insignes voortbrengt” aldus Els Smeets. Zoals gezegd werden de vestels in de nabijheid van het pelgrimsoord geproduceerd al werd hier tot nu toe slechts een gedeelte van een mal (1994) door Borremans en Beeckmans aan de oppervlakte gehaald.

Datering
Door precieze vergelijking van het onderzochte materiaal stelde Smeets een chronologie van de Adrianusinsignes op, verdeeld over vijf periodes. De oudste vrij primitieve afbeeldingen ontstonden rond 1400. Tussen 1400 en 1430 volgden exemplaren van estethisch hogere kwaliteit waarna de vestels van een volgende periode (1430 tot 1450?) niet alleen verfijnder en gedetailleerder werden maar voor het eerst ook een tekstband onderaan opnamen. Uit de periode van 1430 tot 1450 is slechts een sterk gedetailleerd fragment overgebleven. In de periode van 1450 tot 1500 kwamen de meeste insignes tot stand wat wijst op de zeer grote verering die de relieken van Adrianus in de Geraardsbergse benediktijnenabdij toen genoten. Ondanks de grote productie vertoont de massa Adrianusinsignes uit de laatste periode “grote overeenkomsten: ze zitten estetisch gezien vrijwel op één lijn” aldus Smeets.

Om de ontwikkeling van de Adrianusiconografie in het Geraardsbergse ruimer aan bod te laten komen wijdt Smeets ook een hoofdstuk aan anderssoortige afbeeldingen van Adrianus dan die zoals ze voorkomen op bedevaartstekens: “de zoektocht naar overeenkomsten tussen afbeeldingen van de heilige Adrianus verdeeld over meer kunstdisciplins moet leiden naar het antwoord op de vraag of de geijkte iconografie die ontstaat in Geraardsbergen, aantoonbaar ontstaan is uit de pelgrimsinsignes en het cultusbeeld dat hier wellicht aan ten grondslag heeft gelegen” aldus Els Smeets.

Anderssoortige afbeeldingen
Vooreerst wijst de auteur erop dat verscheidene pelgrimsinsignes van St.-Adrianus voorkwamen op andere devotionalia: negen ervan staan afgeschilderd in getijdenboeken en vier werden vastgenaaid in enkele handschriften. Daarnaast is er ook een schilderij van een Vlaamse Meester bekend met een Adrianusinsigne op de hoed van een bedevaarder. Daarna volgen sculpturen van St.-Adriaan in Geraardsbergen, Brecht, Nieuwpoort… In diverse getijdenboeken en gebedsboeken komen mi-niaturen voor met de afbeeldingen van dezelfde heilige. Speciaal te vermelden is hier het vierdelig brevier dat ooit toebehoorde aan de Geraardsberge abdij maar al jaren wordt bewaard in de abdij van Maredsous.

Van groot belang voor Smeets is het miniatuur in het ge-tijdenboek (ca. 1482) van Lodewijk XI en zijn vrouw Charlotte van Savoye. Beide opdrachtgevers staan op het miniatuur afgebeeld vóór het retabel van Sint-Adriaan. Opmerkelijk is dat de Adrianusvoorstelling op het miniatuur hier stilistisch sterk overeenkomt met die op de bestudeerde insignes uit dezelfde periode: “op het retabel zal een beeld hebben geprijkt van de Heilige Adriaan, dat als inspiratiebron heeft gefungeerd voor de makers van de pelgrimsdevotionalia”. Zekerheid daarover blijkt de auteur echter niet te hebben want elders schrijft ze: “Naar mijn mening is de afbeelding van de Heilige Adrianus op de miniatuur van Lodewijk XI gebaseerd op het retabel dat ooit heeft bestaan te Geraardsbergen. Zonder twijfel is de miniatuur tot stand gekomen in Vlaanderen”. Ten slotte bespreekt Smeets ook nog enkele retabels met de afbeeling van Adrianus maar ontstaan buiten Geraardsbergen: het ene van Jan Borman (Brussel) en het andere van Hans Memling. Hoewel ze tot stand kwamen buiten de Oudenbergstad vertonen ze een opvallend aantal iconografische overeenkomsten met de Adrianusfiguur in het Geraardsbergse.

Iconografie van Sint-Adriaan
Els Smeets geeft toe dat haar opdracht niet valt te on-derschatten: “De iconografie van de Heilige Adrianus eenduidig omschrijven is niet eenvoudig: elke afbeelding heeft haar ei-gen kenmerken. Dit is afhankelijk van de materiaalsoort, de gebruiksfunctie, de opdrachtgever en vele andere factoren. Zoals we echter al gezien hebben is er een zekere ontwikkeling in deze iconografie te ontdekken geweest in de vijftiende eeuw, die geleid heeft tot een min of meer gangbare manier van afbeelden van de Heilige Adrianus in de omgeving van Geraardsbergen… Aangetoond is dat de oudste -nog bestaaande en bekende- afbeeldingen van de Heilige Adrianus uit Geraardsbergen de vroegste pelgrimsinsignes zijn”.

In de loop van haar werk heeft Smeets er meermaals op gewezen dat de insignes in grote hoeveelheden en met een groot aantal gietvomen tot stand zijn gekomen in Geraardsbergen of de zeer nabije omgeving. Het retabel in het manuscript van Lodewijk XI beschouwt ze als een “directe kopie” van het cultusbeeld “dat zeer waarschijnlijk als inspiratiebron heeft gediend voor de vele beeltenissen van de Heilige Adriaan”. El-ders schrijft ze zelfs dat dit cultusbeeld van “de Heilige Adriaan -zoals afgebeeld op de miniatuur- op de werkelijkheid gebaseerd is en kan gezien worden als de aanstichter van de ontstane iconografie in de vijftiende eeuw”. Of dit cultusbeeld deel uitmaakte van een altaarretabel kan niet worden nagegaan: helaas is er nauwelijks iets bekend over het altaar, enkel dat het uit hout gesculpteerd was…”

Geen moeite gespaard
Wie de studie van Els Smeets doorneemt kan vaststellen dat ze geen moeite heeft gespaard om degelijk materiaal bij elkaar te brengen. Uitgangspunt voor haar werk waren de reeds vermelde publicaties over “Pilgerzeichen…”, “Heiligen uit de Modder” en “Heilig en Profaan”. Ook spaarde ze geen moeite om “Adrianus & Naaldwijk” (G.j.j. Bal en C.G.M. Veenman) en diverse publicaties van haar promotor vakkundig in haar studie te verwerken. Aangezien het epicentrum van de Adrianuscultus in de Oudenbergstad dient te worden gezocht ligt het voor de hand dat de Nederlandse studente ook belangrijke Geraardsbergse studies raadpleegde: naast publicaties van Etienne Borremans en Luk Beeckmans (pelgrimsdevotionalia), Martine Pieteraerens (bouwgeschiedenis van de St.-Adriaansabdij) en Victor Fris (Geschiedenis van Geraardsbergen) bestudeerde Els Smeets vanzelfsptrekend ook een vijftal eminente studies die Geert Van Bockstaele aan de St.-Adriaansabdij heeft gewijd.

Vermeldenswaard en aangenaam om te bekijken zijn de bijna zestig in haar werk opgenomen prenten over de iconografie van St.-Adriaan. Niet alleen Geraardsbergenaars zullen dit fraai geïllustreerd werk met veel belangstelling lezen. Dat de auteur sommige vragen onbeantwoord laat lijkt ons een bewijs van ernst en eerlijkheid.

Pijnlijke vaststelling
Els Smeets opende haar studie met een pijnlijke vaststelling: “Enkele jaren geleden werd een sculptuur van de Heilige Adriaan weggehaald, die te bewonderen was op de route van de eens zo drukbezochte processie ter ere van deze heilige in Geraardsbergen. Dit beeld vertoonde de heilige met zijn gebruikelijke iconografie in deze omstreken… Eens was dit een zeer herkenbaar en vertrouwd beeld voor de inwoners en pelgrims te Geraardsbergen”.

Voor alle duidelijkheid wijzen we erop dat Smeets hier het polychroom houten Adrianusbeeld bedoelt zoals het tot voor een paar jaar te kijk stond in een gevelnis aan de Oudenaardsestraat rechtover de Reepstraat. De verdwijning van dit beeld heeft de auteur blijkbaar sterk aangesproken want ze herhaalt haar bezorgdheid op de slotbladzijde van haar boeiend werk: “Het Adrianusbeeld dat weggehaald is van zijn plaats langs de route van de processie ter ere van de Heilige Adrianus getuigt van dit pelgrimagefenomeen: er was nog sprake van een connectie met het verleden. Door het weghalen hiervan verdwijnt een stuk historie, waardoor een chronologie in iconografie moeilijk te achterhalen wordt”.

Met haar fraaie studie over de iconografie van de Geraardsbergse Adrianusbedevaartstekens haalde Els Smeets haar diploma Kunstgeschiedenis aan de universiteit van Nijmegen. Met haar onderzoek volgt ze het voorbeeld dat haar alma mater reeds eerder had gegeven. In 1994 verzorgde een team Nijmeegse vorsers de diplomatische editie van “Het Geraardsbergse Handschrift” uit de Koninklijke Bibliotheek Albert I in Brussel 837-845). En de verslagen en conclusies van het congres dat in oktober 1994 in Nijmegen werd gehouden verschenen in 1996 onder de titel “Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden”. Het Geraardsbergs Handschrift nam hier een centrale plaats in.

Albert Schrever

X