“Bij ons zèze dad azu”: over het dialect van Lierde

IMG_20171005_0002.jpg

Lierde, 02/01/2017 – Onder de titel “Bij ons zèze dad azu” gaf de projectgroep Cultuur Lierde in 1999 een fraai boekje uit met als neventitel “Spreuken en Gezegden en andere Eigenheden uit Lierde vroeger”. De publicatie kwam tot stand door samenwerking van Sylvain Beerens (+) voor de cartoons, dr. René Van Ongevalle (+), Luck Naert , Marc De Brakeleer (toenmalig burgemeester), pastoor-dichter Toon Uyttendaele en stadsgenoot Raf Van Mello. Er waren ook nog drie gastmedewerkers: Claudine Stevens (archivaris van de cultuur van Lierde), Michel van Audenhove (tekstverwerking) en wijlen Raf Dammekens die in dit werk enkele uitvoerige bijdragen leverde over het dialect en het volksleven van Lierde.

Hoewel de Leuvense academici Rob Belemans en Ronny Keulen er in hun  dialectstudies regelmatig op wijzen dat niet het woordarsenaal maar wèl het klanksysteem het meest onderscheidend kenmerk van dialecten is,  stellen we vast dat er de jongste jaren massa’s “dialectwoordenboeken” zijn verschenen, het ene al wat beter/lijviger dan het andere. We kennen zelfs een dik boek over een dialect uit onze regio met meer dan 400 taalfouten en acht/dt-fouten! Gelukkig is dit een uitzondering en daar zullen we het niet over hebben…
We willen hier wat meer vertellen over het taaleigen van de gemeente Lierde, de fusie van Hemelveerdegem, Deftinge, St.-Martens-Lierde en St.-Maria-Lierde. Vooraf moeten we de lezer teleurstellen: dialecten bestaan eigenlijk niet; er zijn alleen dialectsprekers die elk hun eigen versie en persoonlijke interpretatie van hun dialect kennen en gebruiken. Niemand mag beweren dat hij zijn moedertaal of zijn dialect volledig kent. Vandaar ook dat geen enkel (dialect)woordenboek volledig is. Wie b.v. het “Woordenboek van de Nederlandse taal” (1864-1998) raadpleegt, kan vaststellen dat de namen van nagenoeg alle maanden (januari, maart, april…) er in voorkomen; vruchteloos zal hij er echter het lemma “februari” in zoeken. Zoals geen enkel woordenboek volledig is, zo is er niemand die zijn moedertaal of zijn dialect volledig kent… Ondanks die beperking kunnen we pogen een dialect te beschrijven…
Toen we in 1952 het lager onderwijs startten in het Sint-Catharinacollege in Geraardsbergen moest de ABN-actie er nog goed op gang komen. De meeste scholieren, zowel die uit de stad als die van daarbuiten, spraken nog hun dialect of een gekuiste vorm ervan… Zeer levendig herinner ik me enkele dialectwoorden van medeleerlingen uit Lierde. Ze gebruikten het  voor mij vreemd klinkend “abiel” waar wij “rap, spoedig…” gebruikten. Even vreemd in mijn oren klonk het woord “genoegt” waar wij “genoeg” gebruikten (die “toegevoegde, paragogische -t horen we in sommige dialecten ook in pols/polst, maag/maagt (orgaan), stro/stroot…).  In “Ge moe niet skau (schuw, angstig) zijn” verwonderden we ons over “skau” waar wij “benauwd, angstig” gebruikten.. Vreemd in onze oren klonk toen ook de open -i- in “ves” (vis), “dek” (dik), “wet” (wit),”weld” (wild), “wel” (wil) … Ten slotte trof ons ook de vreemd in de oren klinkende uitspraak van de gemeentenaam “Deftinge” op: “Dieëftenge”…
Dat brengt ons bij prof. em. dr. Johan Taeldeman en zijn uiteenzetting “Over sjibboletvorming in de Nederlandse dialecten” op de zevende dialectendag (22 maart 2003 in Middelburg). Naast het welbekende zinnetje “tètietatutè” om de West-Vlamingen te typeren en de zin in typisch Brussels “Mieaakaa/ Mieaabraakaa” (Mie had kou, ze had veel kou) citeerde hij ook “despangtoa estaanpaksaa” (de hesp hangt daar; is het de uwe, pak ze u” om een eigenaardigheid van het dialect van Aalst in de verf te zetten. Een rake typering van het dialect van Ninove duidde hij aan in “droa raa aarn in e pennekke gekloesjt” (drie rauwe eieren in een pannetje geklutst)… Hij citeert ook de bekende typering van het Geraardsbergs taaleigen met het zinnetje “man kaboesje ligd in de zeppe van de piesjemoustroate” (mijn pet ligt in de riool van de Buizemontstraat). Zoals in de geciteerde voorbeelden van dialectkenmerken richten zowat 90% ervan zich op de uitspraak. De rest heeft betrekking op de woordenschat, de woordvorm en de zinsbouw…
Naast de openingstoespraak van prof. Taeldeman vinden we in het “Dialectenboek 7 Aan Taal herkend” (2003) nog vijftien bijdragen over evenveel dialectgebieden in Noord- en Zuid-Nederland. In dit dialectenboek handelt dra. Veronique De Tier over “Oost-Vlaamse spot- en visitekaartzinnetjes”  en ze citeert het bekend dialectzinnetje om inwoners van Deftinge te typeren: “In Dieëftenge joeëz de vieëze noar de mieës mee em populiere zwieëpe” (In Deftinge jagen ze de koeien naar de meers met een populieren zweep).
Bloemlezing
Uiteindelijk keren we terug naar “Bij ons zèze dad azu” waarin we, naast het pas geciteerde “visitekaartzinnetje”, massaal veel woorden en uitdrukkingen uit de vier deelgemeenten van Lierde vinden. We beperken ons tot een bloemlezing:
– “Jules was achter ’t gat mee Jef zijn mokke op stap gegoan mor nou ’n es ’t zijne kameroat ne mieër zulle. Den dieën eed in zijn roapn gesketen”;
– “Ge kun nie alles ein in t lieëven, e skue wijf en veel gelt”;
– “z’es weer azue (ze is weer zwanger)”;
– “Pardong Sieske slong Sieske sluëre, ne plesj op ou uëre”;
– “‘k Hè altijd uëre zeggen dat de deure mag open stoan woar dat er nen duën es (waar de broek van de man niet dicht is)”;
– “ne kieër wetten e gieën verletten. Ge went snee en ge rust er ne kiër mee”;
– “Ne klusj patotters “(een vrachtje)”;
-“Tijd  genoegt, zei den boer, en ij liet zijnen uugst stoan”;
– “Ladies first, zei den boer, en ij liet zijn koe buiten”;
– “d’Onwerens die van over Giezberge kommen zijn altijd de koadste: ze moen de Ouenberg over”;
– “’t Verken lupt mee struut in zijn muile, ’t es regenachtig (kleine man met dikke sigaar)”;
– “On ’t were est er nie vele te doene, as vele veurn te leze, al was ’t mor in den Beioard”;
– “Ze was gesteren zu zot as een drilnote (draaitol). Pertank ze zoe onz Ieëre van zijn kruis lezen, azu ne kwezel”;
– “Mijne neuze jokt…ze zijn over mij oan ’t klappen”;
-“ij peisdege dat ij de moere en de rijer o” (hij had zich misrekend.”
– “Zet ou in de rote en klap mee ou tote”;
– “Ne wieplawoai, ne laweitmoaker, nen halve goaren, ne kloefkapper”;
-“Azu lank dat de boeren kloagen, de pasters vroagen en de vrouwe zoagen za de wieërlt nie vergoan”;
-“t Muziek van Sesjans ee valeive mor ieëne kieër gelijk gestopt mee spelen. ’t Was dieë kieër dat den teoater ingestukt was”;
– “Gee de stoefer een bruut, de kloager ’n ee gieënen nuut”…
Naast die uitdrukkingen geven we nog enkele mooie dialectwoorden uit Lierde: een etinge  (=etentje), kabuizen (=rodekool), zjeembezen (=tros- of aalbessen), gesmeijerd (=tot moes geplet), ne geelevernieerte runsjel (=geelgors), een erreketesse (=hagedis), ronkoart (meikever), ‘k Bé verskusjt (= geschrokken), kabas (=boodschappentas), tesgat (=boomstronk), moezjegat (=afvoeropening), zwoaloms (=zwaluwen)…
In het twintigste hoofdstuk krijgen we nog een ode aan de “Stilte” bij het ontwaken van de natuur, bij ’t vallen van de avond, bij veel dagelijkse en andere gebeurtenissen, als de processie voorbij trok… De auteur leert ons ook luisteren naar de  stilte… waarna hij besluit: “Den dag van vandaag is ’t ook niet slecht, maar helemaal anders. Al dat modern lawaai doet de stilte verbleken… en toch blijft  daar iets kloppen van binnen. Stilte”.
Dit stukje dragen we op aan wijlen Raphaël Dammekens (° Hemelveerdegem 1924- + Lubbeek 2010). Na klassieke humaniora in het Sint-Catharinacollege in Geraardsbergen studeerde hij aan de Gentse universiteit. Zijn jaargenoot was wijlen Louis Waltniel. We hadden het geluk Raf Dammekens regelmatig op bezoek te krijgen. Hij was een geboren verteller en we herinneren ons nog het verhaal dat hij, na de vroegtijdige dood van zijn vader, met zijn moeder naar Overboelare spoorde om er bij veekoopman  Gustaaf Delvoye een koe te kopen. Moeder en zoon trokken te voet naar huis, met de koe aan een touw. Een verhaal als uit de film van Fernandel met Marguerite. Hoewel hij jaren in het buitenland werkte en met zijn gezin in Ganshoren woonde kwam hij dolgraag terug naar zijn geboortestreek om er zijn talloze vrienden te bezoeken.
We ronden af met nog enkele dialectkenmerken:
-de “sk” (< sch) wordt o.m. genoteerd  in de zone Kortrijk-Brakel-Ninove: “skau (schuw, angstig) zijn”, “in zijn roapn gesketen”, “skue wijf en veel gelt”. Die “sk”  kwam veelvuldig voor in het Middelnederlands: “Vaert wel ende levet scone” (Hadewijch).
-de mouillering (prof. Van Ginniken sprak van “niesklank”) kennen we via Jan De Wilde (Aalst): “madja ov a batj a” (mijd jo of hij bijt je). De mouillering treffen we o.m. aan in de zone Dendermonde-Aalst-Ninove-Geraardsbergen: “in e pennekke gekloesjt” (in een pannetje geklutst)…”man kaboesje, in de piesjemoustroate”, Ne klusj patotters”, zjeembezen , ‘k Béverskusjt, moezjegat…
-Veel Vlaamse dialecten kennen de wegval van de aanvangs -h:-“ij liet zijnen uugst stoan; ij liet zijn koe buiten”; “ij peisdege”…
-Een groot gedeelte van Oost-Vlaanderen vormt de verleden tijd van zwakke werkwoorden door toevoeging van -dege of -tege”: “ij peisdege”. Die zwakke uitgang komt soms ook voor bij sterke werkwoorden, vooral in de kindertaal: “hij slaaptege, leesdege, roeptege…” Indien er belangstelling voor is wil ik die vreemde uitgang nader verklaren. De tussenvorm -tede en -dede komt ook voor in West-Vlaanderen o.m. in het “Oostends woordenboek” van Roland Desnerck.
Albert Schrever.

 

Zeen is a next generation WordPress theme. It’s powerful, beautifully designed and comes with everything you need to engage your visitors and increase conversions.

X